Ion Manolescu, Derapaj
I.
Roemenië. 2005
Ik liet het communsme achter me met het gevoel alsof ik een held was, een kleine tegenstander van het regime, van wie niemand nooit gehoord had, maar die juist daarom meer respect verdient. Van binnen protesteerde ik al jaren tegen de kou en honger, luisterde ik met een mengsel van trots en voldoening naar honderden grappen over ome Nicu en tante Leana Ceauşescu en ging ik dankzij de onbezonnenheid van de leeftijd volledig op in de meest gewaagde dromen, die goed verstopt waren in de uithoeken van mijn geheugen. Ik had deze graag uitgevoerd en dan doorgegeven aan het nageslacht: de Donau oversteken naar Joegoslavië bij Calafat, dit terwijl ik niet kon zwemmen en ook niet eens het plaatsje Calafat op de kaart kon aanwijzen; ’s nachts de kruidenier leegroven, waar ik weg zou gaan met een rugzak met “Zarea” champagne en Vietnamese kroepoek; en boven alles, zou ik Ceauşescu toestemming vragen voor een levenslang abonnement op stripboekjes Pif die uitgegeven werden door de officiële krant van de Franse Communistische Partij.
Wanneer ik er goed over nadenk leek mijn leven als bewoner van het communisme absurd, maar het gaf me een gevoel van een richting die ik diende te nemen. Opgesloten in mijn schild van een opstandige leerling en vervolgens als eigenwijze student, voelde ik me nuttig en belangrijk: met mijn klikkende klasgenoten had ik lol, maar de voor de partij werkende leraren bekeek ik met afschuw en ironie: “ik had waarde”, ik zweefde boven hen en dát telde. Beiden versterkten ze mijn wens om naar de bibliotheek te gaan en de boeken van de non-conformistische schrijver Moniciu-Sudinski te lezen, het weinige dat nog overgebleven was nadat zijn boeken in beslag genomen of verbrand waren.
Het leek erop dat het anders was dan in de gedichten met wilde zwijnen en reeën uit de leerboeken waar de rode foto’s van Ceauşescu pronkten op de eerste pagina (de schoolboeken uit die tijd hadden een foto van de president op de eerste pagina). Ik wist wat me te wachten stond. Ik slijmde niet bij de communisten en ik schaamde me ook niet om in de spiegel te kijken: de communistische jeugdlegitimatie kwam van de lopende band, ik ontving hem met mijn handteking door iemand anders gezet, terwijl een partijpas voor niemand iets meer betekende aangezien er waren al ongeveer vier miljoen mensen in dezelfde situatie waren. Gestimuleerd door de algemene apathie en klikcultuur, bereidde ik me voor om in gedachten de heldendaden te verplaatsen van de straat en de stad naar het platteland, naar het bergdorpje waar ik als leraar Roemeens heengezonden werd. Daar, in ruil voor de alfabetisering van de vele kinderen uit arme plattelandsgezinnen in lange onderbroeken en schoeisel van varkenshuid, zou ik het respect krijgen dat me toebehoort en had ik, als een echte leraar in wording, het volle recht om te verlangen naar: flessen ţuică (Roemeense jenever) en rakija, een wit huisje met een houten dak en open deur, de dochter van de burgemeester achter die deur.
Ik zou met eer de dromen van de helden van het TV-theater van dinsdagavond vervuld hebben: vrolijk zitten ze thuis naast de waterkrachtcentrale die net gegraven is door ongeveer tien ploegen arbeiders met achthoekige helmen die ze scheef op het hoofd droegen. Ze zagen er zo nep uit dat je ze een laxeermiddel zou geven om te humaniseren. Vloeibaar gemaakt door de sterke lucht van dennenbomen en diesel, zou ik verliefd geworden zijn op de bouwplaats, op het ga-weg-kom-terug van de kiepwagen, van het trillen van de kettingzagen die als een gek door het bos gestuurd worden, onder een warm, vragend en toeziend oog van de hoofdingenieur.
“ Zeg het eens Robe, wat is er aan de hand?”
“Mijn dochter, kameraad Andrei. Ik weet niet meer wat ik met haar aanmoet. Ze wil naar de universiteit….”
“Stuur haar morgen naar me toe, hier op de bouwplaats, ik praat wel even met haar.”
Ik was de acteur die de hoofdbrigadier op de bouwplaats van idioten naspeelde en die gekomen was om persoonlijke problemen te bespreken met de andere acteur, de begrepen activist, die meteen een vaderlijke hand op je schouder legt en die met een subtiel meerwaardigheidsgevoel raad gaf aan degenen voor wie het leven, na langdurige decennia van politieke wijsheid waarin ze soms ook gewerkt hebben, geen geheimen meer bevat. Ik keek door Mongoolse spleetogen, die dankzij de alcohol onderstreept waren door wallen, vrolijk, levendig, oprecht bezorgd over het lot van mijn dochter. Het enige was dat ik helemaal geen dochter had.
Ik nam het systeem voortdurend in de maling. Tegelijkertijd bedroog ik ook mezelf, met groot succes.
Ik protesteerde door middel van cultuur. Dit verwezenlijkte ik door uit de bladzijden van de interbellum-romans een middeleeuws ridderharnas te halen, dat ik triomfantelijk droeg bij de “1 mei” en “23 augustus” demonstraties waar ik samen met mijn studiegenoten verplicht werd heen te gaan. Ik verkleedde me met de exentrieke rokjes van de vrouwelijke personages uit de romans die ik destijds las of leende ik de sportkleding van de sportieve man die deze vrouwen vergezelde en zo leek het alsof je het gewicht van de paradewagens met “Socialistische Republiek Roemenië-ons geliefde vaderland!” niet meer voelde. Samen met mijn vrienden Sandu en Ioana (personages uit het boek Ioana, van Anton Holban) ging ik helemaal op in het ritme van de symfoniën die uit de grammofoon schalde en hoorde ik de leuzen met “Ceauşescu – RCP (Roemeense Communistische Partij)!” niet meer. Ik bleef hangen in een roddelgesprek met Mini, Nory en Mika-Lé, personages uit een andere Roemeense roman en, ten midden van de theedampen in de salon waar dit verhaal zich afspeelde, vergat ik de stank van het arbeiderszweet en de stijve koppen van de geheime agenten die aan de zijkant stonden. Mijn vriend Paul die vrolijk met mij mee marcheerde, met het rubberen balletje in de ene hand en de sjaal met de driekleur in de andere vond een nog gewaagdere oplossing: hij stortte in een ernstige somberheid, waar hij het altijd over had wanneer je hem vroeg hoe het met hem ging, maar die hij in werkelijkheid aan niemand toonde.
“Hoe gaat het, Paul?”
“Ik ben somber”, glimlachte hij, “door middel van depressie houd ik mijn hoofd boven water met dit regime”. Vervolgens pakt hij voorzichtig de nationale driekleur en met vingertoppen die zacht zijn geworden door de zon en verveling, begint hij krachtig met de vlag heen en weer te zwaaien.
Tijdens deze momenten zag ik mezelf al met hem en enkele miljoenen eerlijke en stille landgenoten marcheren tot aan het eind van de wereld, allen met de moed in de schoenen gezonken, blij dankzij de geheime verbintenis die ons heeft verenigd tegen het systeem en die ons de kracht gaf verder te gaan: verloren in de menigte, een mens tussen de mensen.
Ik mocht niet opvallen; niemand vroeg me dat en om eerlijk te zijn viel ik ook niemand lastig. Genesteld in mijn geheime hoek opgebouwd uit boeken, koude kachels en tientallen grote plannen voor de toekomst, kon ik richting het communisme of richting elk ander regime dan ook vliegen. Zonder compromissen, zonder een klootzak te zijn en zeker zonder mijn mond voorbij te praten. Ik ging niet op een motor met aanhanger zitten om ’s nachts pamfletten tussen de flatgebouwen te gooien en ik hing ook geen laken op mijn balkon waar “Ik ben in hongerstaking!” op stond geschreven. Het was voor mij al genoeg om te weten dat in de vrije en ingewikkelde wereld van mijn gedachte, waar geen enkele geheime agent, hoe goed hij ook mocht zijn, geen enkele informateur, hoe dicht deze ook bij me mocht zijn, geen enkele beul, hoe goed hij ook zijn best deed, toegang toe hadden. De held, mocht deze bestaan, leefde van binnen, verstopt tussen gedachten en verbeeldingen, zonder zorgen huppelend onder de bottenkoepel van de schedel.
Vertaald uit het Roemeens door HRW Trok